Renee Olsthoorn
Menu

Bed of roses

Renée Olsthoorn

Kamperen of glameren, het is en blijft kramperen...

De zomer komt eraan dus...

Er zijn weinig dingen die ik haat. Haten is een groot woord, dus ik gebruik het verbum pas na zorgvuldige overweging. Zodoende durf ik het - overigens in willekeurige volgorde - te paren aan ansjovis, bloedworst, racisme, opengereten vuilniszakken op straat, godsdienstwaanzin, internettrollen, in de poep trappen en... kamperen.

Kamperen. Een vorm van vakantievieren die ik als kind wel kon waarderen maar als volwassene allesbehalve. Waarom mijn ouders zich vrijwillig in een dergelijke nachtmerrie stortten, heb ik achteraf wel begrepen. 'Een buitenlandvakantie' kon voor 'modaal' in de eerste helft van de jaren zestig simpelweg niet anders dan met een achterbak vol aardappelen, gecondenseerde melk en blikken soep, twee tweepersoonstentjes, één butagasstelletje, slechte kwaliteit luchtbedden en dito slaapzakken, plus twee ruziënde kinderen op de achterbank van een heuse Trabant.

Hotelarrangementen aan exotische kusten - die toen al hard op weg waren verziekt te worden door het opkomende massatoerisme - waren veel te duur! Kortom, kamperen was voor mijn ouders financieel de enige haalbare grensoverschrijdende vakantie. En zo'n vakantie begon er in die tijd geleidelijk aan bij te horen, net zoals een televisietoestel of wasmachine met aparte centrifuge.

De Belgische Ardennen waren in de regel de eindbestemming, maar het eind van het liedje over het algemeen was dat mijn vader, na een week in de stromende regen te hebben gezanikt over het weer, en hevig te hebben gevloekt als er voor de zoveelste keer een pan gehaktballen van het piepkleine butagasstelletje was omgekieperd, ten einde raad de zeiknatte tent met het van jus spekvette tentzeil afbrak en opborg om de zon op te zoeken in Duitsland of Frankrijk.

Zoals gezegd had ik er in die tijd nog geen hekel aan, egoïstische pubers als mijn zusje en ik waren, lieten we de ellende graag aan onze ouders over. De hartgrondige haat kwam pas jaren later toen mijn lief, na een aanfluiting van een pakketreis met halfpension in een hotel met aan de ene kant uitzicht op een blinde muur en aan de andere op een strand tjokvol op walrussen gelijkende zonnebadende mensen aan de (toen nog) Joegoslavische kust, voorstelde een tent aan te schaffen om in het vervolg te gaan kamperen.

Voorzichtig als ik in sommige opzichten kan zijn, opperde ik alvorens een dergelijke grote aanschaf te doen een zogenaamde 'campingvlucht' te boeken, om te bekijken of kamperen eigenlijk wel ons ding was. Zo'n 'campingvlucht' bestaat uit een vlucht naar een of ander oord waar op een plaatselijke camping een volledig ingerichte tent voor de toerist klaarstaat. Zodoende hoef je dus alleen op reis met paspoort, een koffertje kleren en toiletspullen. Ideaal! Dachten we...

Niet dus...

Aangekomen op de terrasvormig opgebouwde camping, ergens in het noorden van het mooie eiland Corsica constateerden we het eerste minpuntje: de camping was een soort van Nederlandse kolonie. Verder was de indeling naar onze smaak irritant, ofschoon niet geheel onlogisch. Ouden van dagen waren ondergebracht op de begane grond, gezinnetjes halverwege de berg en jonge kinderloze stelletjes bovenin (daartoe behoorden wij). Zuchtend baanden we ons een weg naar boven, waar we een inderdaad ingerichte tent aantroffen, maar van een armoe... onbeschrijfelijk! Smerig, aftands, gebrekkig ingericht... om over de sanitaire voorzieningen nog maar te zwijgen. En... mieren, miljoenen mieren die alleen met een grenslijn van op de grond gespoten afwasmiddel op redelijke afstand konden worden gehouden.

Maar die ellende viel totaal, maar dan ook totaal in het niet bij de sociale controle die er op de camping heerste. "Hollanders, ons strand is dáár hoor!" Als wij juist om díé reden een andere richting opgingen... "Hollanders, vanavond oudhollandse spelletjes bij het restaurant..." Dat soort ongein. Al na twee dagen trokken wij de atmosfeer er héél slecht... Iedereen bemoeide zich met iedereen, en als je je niet conformeerde aan het groepsgebeuren - zoals wij -, werd je min of meer gemaand je aan te passen, want anders 'hoorde je er niet bij'. I kid you not! Maar uiteraard was dat precies wat wij wilden, er níét bij horen...

Verder merkten we op een ochtend op het terras bij het bedrijfsrestaurant dat de campingeigenaar slachtoffer was van de lokale maffia. Het was namelijk overduidelijk dat er protectiegelden werden betaald. Dat was voor mijn lief en mij de druppel. Wat had dit hele gedoe voor ons nog met 'recreatie', met 'ontspanning' te maken? Zoals de campingbaas in het keurslijf van de maffia werd gedwongen, voelden wij ons als het ware 'geknecht' door de organisatiedrift van de bewuste touroperator.

Goed, ik zal u verdere naargeestige details besparen, lieve lezer, maar daar op dat schitterende eiland heb ik een hartgrondige haat ontwikkeld tegen alles wat met kamperen van doen heeft. De bungalowtent is uiteraard nooit aangeschaft, en campings hebben we in het vervolg gemeden als de pest.

©Renée Olsthoorn, 2018

 

Go Back



Comment